Nederlands–Fries woordenboek
Friese vertaling van het Nederlandse woord pijp
| Nederlands | Westerlauwers Fries (indirect vertaald) | Esperanto |
|---|---|---|
piip | ||
| ||
| (schacht; staaf) | stange | |
| (buis; kanaal; steel) | buis ; piip | |
| (fluit) | fluit ; fluite | |
| ||
de pijp aan Maarten geven (doodgaan; sterven; verscheiden; versmachten; heengaan; de kraaienmars blazen; ontslapen; het loodje leggen; het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen; de pijp uit gaan; de geest geven; de laatste adem uitblazen; aan zijn eind komen) | deagean ; | |
de pijp uit gaan (doodgaan; de kraaienmars blazen) | deagean ; | |
| (bieslook) | biezelok | |
tabakspijp (pijp) | piip | |